Kollum

2019

Vlucht- en nesttelling van gierzwaluwen in Kollum 1999-2018

Klaas de Vries en Gert de Jong

Het had niet veel gescheeld of Fryslân had 12 steden gehad. Kollum had vroeger alle kenmerken van een stad behalve de stadswallen. Vandaar relatief veel oude panden met ouderwetse dakpannen die nestplaatsen bieden aan gierzwaluwen. We geven een overzicht van de vluchttellingen vanaf 1999, van opgespoorde nestplaatsen vanaf 2017 en een eerste vergelijking tussen die twee telmethoden.

Vluchttellingen

Vogelwacht Kollum e.o. inventariseert sinds 1999 gierzwaluwen op basis van vluchttellingen. Het gaat om punttellingen van vijf minuten uitgevoerd vanaf een vaste standplaats. Tussen 15 juni en 15 juli wordt drie keer steeds ’s avonds geteld waarbij de keer met het hoogste aantal geregistreerd wordt. Hoogvliegende vogels tellen mee en het aantal wordt gedeeld door twee, omdat de vogelwacht deze methode gebruikt voor vaststelling van broedparen. De grote schommelingen in afbeelding 1 tonen dat vluchttellingen de aantallen vogels niet erg precies meten.
De waarnemingen kunnen wel gebruikt worden voor een trendmeting. Het lijkt erop dat begin 2000 een grote kolonie verdwenen is. Daarna schommelen de aantallen op eenzelfde niveau. In 2017 nam Klaas de Vries de telling over van zijn voorganger.

Afb. 1. Aantal gierzwaluwen geteld bij vluchttellingen in de periode 1999 – 2018. Doorgetrokken lijn: aantal getelde vogels gedeeld door 2; Gestippelde lijn: voortschrijdend gemiddelde over de afgelopen 4 jaar.

Om de nestplaatsen te beschermen zijn deze op postcode
ingevoerd in de Nationale Databank Flora & Fauna. Provin-
cie en gemeente gebruiken deze informatie bij verlening
van vergunningen voor verbouw en renovatie van gebou-
wen. De vogelwacht heeft de bewoners en/of eigenaren
van de panden per brief geïnformeerd en een oproep ge-
daan tot samenwerking om de nestplaatsen te behouden.

Nesttelling

Vluchttellingen zijn niet geschikt voor bepaling van het aantal broedparen. Om een goed beeld te krijgen van broedende gierzwaluwen en om de vogels te beschermen, worden sinds 2017 naast de vluchttellingen nestplaatsen van gierzwaluwen in Kollum opgespoord. 2017 was een verkennend jaar, waarin kolonies in kaart werden gebracht en nestplaatskeuze werd bestudeerd. Gert de Jong uit Amsterdam heeft daarbij instructies gegeven. Dat heeft
zijn vruchten afgeworpen. Mede door het gunstige weer
in 2018 en 35 avonden zoeken, zijn er in totaal 97 nestplaatsen, strikt genomen invliegopeningen, geregistreerd.
Eén invliegopening telt als één broedpaar met een lichte
overschatting van rond 10% (De Jong & Wonders, 2018).
Aan de andere kant zijn waarschijnlijk niet alle nesten ge-
vonden en ligt het werkelijke aantal iets hoger.
Er is gezocht vanaf circa 21.15 uur tot een half uur na zons-
ondergang. Van elk pand met invliegopeningen is in een
veldboek een schets gemaakt met daarin precies aangegeven waar en hoe de vogels naar binnen vliegen met de data van de waarnemingen. De nestplaatsen zitten vooral in het centrum in de oudere panden, maar ook in nieuwere gebouwen in de buitenwijken.

De 97 nestplaatsen zijn verdeeld over 43 panden. Bij de
helft van deze gebouwen is tot nu toe één invliegopening
gevonden. Er is één pand met negen invliegopeningen.
Kollum kent veel schilddaken en mansardedaken. Dat ver-
klaart het hoge aantal invliegopeningen onder hoekkeper-
pannen. Ruim 20% vliegt onder een dakgoot naar binnen.

Afb. 3. Aantal panden verdeeld over het aantal invliegplaatsen per gebouw; Kollum 2017. in 43 gebouwen zijn 97 invliegplaatsen geteld.
Afb. 4. Aantal invliegopeningen per type invliegopening.

Vergelijking vluchttelling en nesttelling

Vogelwacht Kollum e.o. gebruikt de vluchttellingen als
indicatie voor aantallen broedparen. Daarom is het inte-
ressant om die gegevens te vergelijken met de aantallen
waargenomen nestplaatsen om te zien of er een relatie
tussen beide tellingen te leggen is. We zijn ons ervan
bewust twee heel verschillende zaken te vergelijken:
broedvogels en niet-broedvogels vliegen samen, zijn niet
te onderscheiden van elkaar en waarschijnlijk is zowel de
verhouding als het totale aantal niet constant.

In de overzichtskaart, afbeelding 5, geven de cirkels het
gebied van een telpost weer. De cirkels zijn zodanig ge-
trokken dat ze het gebied weergeven dat je daar ter plekke
overziet. Anders gezegd, de vogels die in dat gebied rond-
vliegen worden geteld. Een drietal cirkels zijn ovalen. Daar
heb je achter je geen of beperkt zicht. Het eerste cijfer in
het blokje bij de cirkel is het nummer van het telgebied,
het tweede cijfer het hoogst aantal getelde waarnemingen
in 2018 van de punttellingen daar en het derde cijfer is het
aantal nestplaatsen in of rond dat gebied. Een oranje ster
is de positie van de betreffende telpost zoals de vogel-
wacht die al jaren toepast.

Bij zeven van de acht telposten lopen de aantallen dit ene
jaar mooi samen op (zie afb. 6). Bij telpost 2 is het aantal vogels bij de vluchttelling beduidend lager dan het aantal nesten in dat gebied. Bij grotere groepen wordt het aantal broedparen blijkbaar onderschat met de vluchttellingen. Nu komt onderschatting, zelfs grove, van het aantal broedparen op basis van vluchttellingen wel vaker voor (Hein Verkade e.a. in Limosa 88, 2015). Om die reden adviseert Sovon tegenwoordig de vluchttelling te delen door 1,5. Dan komt het aantal broedparen op basis van de vluchttelling voor 2018 uit op 109; een cijfer dat de nesttelling beter benadert.
De komende jaren gaan we bijhouden hoe beide type
waarnemingen zich verhouden in een kleine, overzichte-
lijke plaats als Kollum, om de relatie tussen vluchttellingen
en het werkelijke aantal nesten verder te onderzoeken.

Afb. 5. Overzichtskaart vergelijking vluchttelling – nesttelling 2018.


Afb. 6. Vergelijking vluchttelling – nesttelling 2018.